Natuurbeleid gemeente werkt

Al gaat het nog niet goed met de Laarbeekse natuur

Natuurbeleid gemeente werkt

Al gaat het nog niet goed met de Laarbeekse natuur

LAARBEEK - Net als op veel plekken in Nederland gaat het ook in Laarbeek niet goed met de natuur. Maar inrichtings- en beheersmaatregelen hebben wel een duidelijk positief effect. Dat is de belangrijkste conclusie van de vierjaarlijkse natuurmonitoring in de gemeente. Het stuk werd vorige week aan de gemeenteraad gepresenteerd door gemeentelijk coördinator team duurzaamheid Michel Brands.

Door Wim Poels

Elke vier jaar laat Laarbeek onderzoeken hoe het ervoor staat met de natuur in de gemeente. Zo’n zestig leden van het IVN kijken dan welke soorten in welke aantallen voorkomen. Dat gebeurt in dezelfde periode op dezelfde plekken, zodat resultaten ten opzichte van eerdere onderzoeken ook echt vergelijkbaar zijn. In totaal besteden de IVN’ers zo’n 1500 uur aan de monitoring, dus het is echt een huzarenklus. De gegevens gaan naar het bureau Ecologica, dat ze interpreteert en wetenschappelijk vaststelt hoe de Laarbeekse natuur ervoor staat.

Dat gebeurt al sinds 2010, zodat er inmiddels een aardig beeld van de trends is. En dus ook duidelijk is of het gemeentelijk natuurbeleid effectief is of niet. Dat is het dus wel, al is er geen enkel gebied in de gemeente dat de beoordeling ‘goed’ krijgt. Het beeld dat de inventarisatie laat zien is wisselend. Er zijn plekken waar het minder gaat met de natuur dan vier jaar geleden. Dan geldt met name over de vennen, de bebouwde kom en de zandpaden. Bij de vennen ging de beoordeling van ‘matig’ naar ‘slecht’. Dat is vooral gebaseerd op de aanwezigheid van de levendbarende hagedis. Vier jaar geleden waren er van die soort nog redelijk wat exemplaren te vinden, nu komt ze nauwelijks nog voor. Dat is dan weer een belangrijke indicatie voor de toestand van de vennen. Het vier jaar geleden herstelde Vossenbergven voegt overigens wel wat toe. De status van de natuur in de bebouwde kom viel terug naar ‘matig’. Dat is gebaseerd op het aantal vogels daar.

Maar er zijn ook plekken waar het duidelijk beter gaat. Met de beken bijvoorbeeld, waar het waterschap Aa en Maas tegenwoordig veel herstelprojecten heeft. Dat werpt zijn vruchten af en de status ging van matig naar redelijk. Ook het ecologisch beheer in de bossen heeft een positief effect. Daar is duidelijk vooruitgang geboekt. De toestand van poelen en stilstaand water is iets verbeterd, toch komen er nog niet zoveel zeldzame soorten voor als zou kunnen. Opvallend is ook dat de natuur in agrarische gebieden ongeveer op hetzelfde niveau ligt als vier jaar geleden. In het verleden ging het daar achteruit. Brands vindt het nog te vroeg om vast te stellen dat het tij daar gekeerd is, maar goed nieuws is het volgens hem wel. In de bijzondere natuurgebiedden Moorselen, Ruweeuwsels en De Biezen is er ook niet zoveel veranderd, net als in de nieuwe natuur.

Hoewel de bijeenkomst informerend bedoeld was en niet om de discussie aan te gaan, konden enkele raadsleden het toch niet laten. PNL en CDA vroegen zich af hoe betrouwbaar dergelijk onderzoek is. Het is tenslotte gebaseerd op een inventarisatie van een beperkt aantal dieren. Dat was dan weer tegen het zere been van ABL, Werkgroep en OuderenAppel, die vooral waardering hadden voor de vrijwilligers van het IVN en de wetenschappers die van de gegevens een onderbouwd verhaal maakten.

Het rapport bevat tal van mogelijke maatregelen om de toestand van de Laarbeekse natuur verder te verbeteren. Het is aan de college en gemeenteraad daar wel of niet iets mee te doen.